Zwanenvleugels – Een spirituele autobiografie. Deel I Kinderjaren en jeugd – Judith von Halle

Zwanenvleugels – Een spirituele autobiografie. Deel I Kinderjaren en jeugd –

Judith von Halle

Deze autobiografische vertelling gaat over buitengewone innerlijke belevenissen van een mens, die

in het derde levensjaar door een beslissende gebeurtenis uit het kinderlijke schemerbewustzijn

ontwaakt en zich plotseling afvraagt: waar was ik vroeger? Dan begint de jacht naar het verloren

volledige bewustzijn. Sinds deze dag ziet het kind de wereld met andere ogen dan de mensen uit zijn

omgeving. Zo observeert de vierjarige kleurig ineengestrengelde krachtstromen, die ze de

‘levenstoverkracht’ noemt. Ze beleeft het wakker blijven bij het inslapen en neemt daarbij gestalten

waar met afschuwelijke tronies, die opduiken voor de ingang tot de ‘wereld van de werkelijkheid’.

Daarachter ontvangt zij het ‘eerbiedwaardige Licht’, dat haar bij haar pogingen tot een ethische

zelfopvoeding bevestigt. Een belevenis in het tiende levensjaar wordt toekomstbepalend. Over zulke

belevenissen hebben filosofen als Plotinus of dichters als Novalis bericht. Hier bericht een kind

daarover hoe het iets goddelijks beleeft in zijn ziel als bron van wijsheid en liefde, als doel van zijn

zoektocht naar zijn ‘volledige geheel’.

Vanuit kinderlijke, onbedorven perspectieven worden existentiële, filosofische vragen als leven en

dood, vergankelijkheid, God of liefde aangepakt en uitvoerig besproken. Diep aangrijpend zijn de

berichten over de voortdurend groeiende uitdaging om de spagaat tussen de ‘wereld van de

werkelijkheid’ en de ‘dag-theater- wereld’ te beheersen. Troost en voeding vindt de scholier in de

wereld van de dichtkunst, filosofie en kunst op het roemruchte gymnasium van het Canisiuscollege.

De leraren en de leermethoden worden terloops met veel humor beschreven. Als twaalfjarige beleeft

ze een doorbraak in het denken. Ze verfijnt de methode van het mediteren en van het opnemen van

literatuur, maar tot haar vijfentwintigste levensjaar houdt de schrijfster haar verborgen wereld voor

zich. Na een levenscrisis in de studietijd ontmoet zij eindelijk mensen met een filosofie die openstaat

voor de geest. Daarin vindt ze verbluffende overeenkomsten met haar eigen ervaringen die haar ook

de reïncarnatiewet laat ontdekken. Daarmee wordt een kring gesloten, ook met betrekking tot haar

mysterieuze ontwaakbelevenis in het derde levensjaar.

Een ontroerend en bemoedigend getuigenis voor de ontdekking van en het inzicht in de eigen

onvergankelijke geestelijke individualiteit, van haar vermogens, oorsprong en doel.

« Terug


Er zouden artikelen moeten verschijnen vanuit de meest verschillende standpunten, dat het eenvoudigweg van grote betekenis is voor het kind wanneer het pas tussen het achtste en negende levensjaar echt leert lezen. Men kan daar als voorbeeld aanhalen dat Goethe vóór zijn negende jaar niet kon lezen of schrijven … en dat daartegenover mensen die uiteindelijk zwakzinnig zijn geworden al op hun vierde, vijfde jaar konden lezen en schrijven.

– Rudolf Steiner – Bron: GA 300b – Ergänzungen zu den pädagogischen Grundkursen – Dornach, 15 maart 1922