Helderziendheid – Rudolf Steiner

Helderziendheid – Rudolf Steiner

In ieder mens sluimeren vermogens die hem in staat stellen zich inzicht te verwerven in hogere, onzichtbare werelden. Door oefening kan hij die vermogens ontwikkelen.

Steeds meer mensen ontdekken het helderziende vermogen. Wat gebeurt er binnen in een helderziende mens? En bestaat er ook ‘natuurlijke helderziendheid’? Steiner beschrijft de kenmerkende verschillen tussen de diverse soorten helderziendheid. En welke soort aanbevelenswaard is voor onze tijd.

Wat zijn de risico’s? En wat gebeurt er binnenin de helderziende mens?

Een glasheldere uiteenzetting over dit actuele thema.

« Terug


Er zouden artikelen moeten verschijnen vanuit de meest verschillende standpunten, dat het eenvoudigweg van grote betekenis is voor het kind wanneer het pas tussen het achtste en negende levensjaar echt leert lezen. Men kan daar als voorbeeld aanhalen dat Goethe vóór zijn negende jaar niet kon lezen of schrijven … en dat daartegenover mensen die uiteindelijk zwakzinnig zijn geworden al op hun vierde, vijfde jaar konden lezen en schrijven.

– Rudolf Steiner – Bron: GA 300b – Ergänzungen zu den pädagogischen Grundkursen – Dornach, 15 maart 1922