Het Bijbelse scheppingsverhaal – Rudolf Steiner

Het Bijbelse scheppingsverhaal – Rudolf Steiner

Het scheppingsverhaal uit de Bijbel staat voor veel mensen haaks op het moderne

natuurwetenschappelijke beeld van de evolutie. Rudolf Steiner maakt in deze voordrachten duidelijk

dat je aan het begrip evolutie ook een spirituele invulling kunt geven en dat de Bijbel de schepping

van de aarde beschrijft als een fase in een groot kosmisch evolutieproces.

Steiner bespreekt in detail de monumentale woorden waarmee Genesis de evolutie weergeeft.

Geestelijke, onstoffelijke elementen verdichten zich stap voor stap tot de elementaire toestanden die

wij kennen: warmte, lucht, water en vaste aarde. Tegelijkertijd worden de hogere elementen licht,

klank en leven aan de schepping toegevoegd. In de evolutiefasen die de Bijbel ‘dagen’ noemt,

ontstaan de leefomstandigheden voor telkens een ander deel van de natuur: de planten, de vogels

en vissen, en ten slotte de landdieren. Op het allerlaatst verschijnt de mens. Pas dan zijn de

omstandigheden zo, dat de mens zich met de aarde kan verbinden en toch ook verbonden kan

blijven met de goddelijke wereld.

De theoloog Feike Weeda belicht in het nawoord context en inhoud van deze voordrachten.

« Terug


Wij leven in een tijd die het noodzakelijk maakt dat wij ontwaken.

– Rudolf Steiner