Al het goede komt in drieën. Het principe van drieledigheid in het werk van Rudolf Steiner – Henk Verhoog

Door het werk van Rudolf Steiner loopt een rode draad die naarmate zijn leven vorderde steeds zichtbaarder werd: het is het principe van de drieledigheid. Mens en wereld berusten uiteindelijk op de oer-drieledigheid, de Heilige Triniteit van Vader, Zoon en Heilige Geest en dat is wat Rudolf Steiner op vele gebieden zichtbaar maakte.

Gedurende ruim 30 jaar onderzocht Rudolf Steiner naar eigen zeggen de vele facetten van dit oerprincipe.

In Al het goede komt in drieën beschrijft Henk Verhoog hoe dit onderzoek van Rudolf Steiner door de jaren heen rijpte en tot bloei kwam in verschillende aspecten van de antroposofie.

« Terug


Er zouden artikelen moeten verschijnen vanuit de meest verschillende standpunten, dat het eenvoudigweg van grote betekenis is voor het kind wanneer het pas tussen het achtste en negende levensjaar echt leert lezen. Men kan daar als voorbeeld aanhalen dat Goethe vóór zijn negende jaar niet kon lezen of schrijven … en dat daartegenover mensen die uiteindelijk zwakzinnig zijn geworden al op hun vierde, vijfde jaar konden lezen en schrijven.

– Rudolf Steiner – Bron: GA 300b – Ergänzungen zu den pädagogischen Grundkursen – Dornach, 15 maart 1922